
2019 Voorjaarsvakantie ~ Spring holiday : Daily drawing challenge day 1









Om drie uur komt de co-assistent langs om me vertellen dat mijn hartecho ‘schoon’ is. Ik mag ik naar huis als zij mijn ‘papierwerk’ af heeft. Het wordt krap, maar ik mag in ieder geval mijn vriend bellen om te vertellen dat hij er rekening mee moet houden dat hij me half zes op moet halen.
Een vreemd gevoel maakt zich van mij meester; ik ben vierendertig jaar jong en heb een herseninfarct gekregen waarvan de oorzaak (nog) niet bekend is: uit de mri bleek dat er niets vreemds in mijn hoofd zit en mijn vaten in principe OK zijn en de echo laat zien dat ik geen gaatje in mijn hart heb* . Nu kan er alleen nog iets uit het bloedonderzoek komen, maar dat weten ze pas over enkele weken. In ieder geval ben ik, afgezien van die beroerte, kerngezond.
Het is dus, niet gek, dat het ziekenhuis mij laat gaan want op dit moment is er geen enkele reden om aan te nemen dat ik weer een infarct krijg. Aan de andere kant, die reden is er nooit geweest, ik ben altijd jong en gezond geweest. Dus wie zegt mij dat ik er niet weer een krijg?
Achteraf gezien heeft het ziekenhuisbezoek mij dus weinig gebracht. Ze hebben me vooral goed in de gaten gehouden – dat was vooral een prettig idee- en ze hebben me grondig onderzocht – wat (tot nu toe) niets opgeleverd. Verder ben ik geheel en al zelf hersteld. Ze hebben me zelfs geen trombolyse** gegeven. Kortom, als we niets gedaan hadden – mijn vriend had me gewoon weer in bed gelegd en me verzorgd, hij kon tussendoor zelfs gewoon gaan werken want in die tijd sliep ik toch – was ik er niet anders aan toe geweest dan dat ik nu ben.Dat is een rare gedachte.
Ik pak de telefoon en toets het nummer van mijn vriend. Hij is blij dat ik naar huis mag. Zijn positieve reactie werkt aanstekelijk; ik ‘vergeet’ mijn rare gedachte en richt me op de klok, de tijd is nog nooit zo langzaam gegaan.
*Een gaatje in het hart kan een oorzaak zijn voor een herseninfarct
**Trombolyse = een medische stolseloplossing die ziekenhuizen na een beroerte kunnen toedienen om de bloeddoorstroming weer op gang te krijgen.
Vandaag is het druk. Ik heb voortdurend mensen aan mijn bed. Het begint met twee verpleegsters die vijftien (!) buisjes bloed komen afnemen: tien zijn standaard, die gebruiken ze om de oorzaak van mijn beroerte (hopelijk) vast te stellen, de overige vijf zijn voor een extra vrijwillig onderzoek. Daarvan zijn er veel hier in het ziekenhuis en die weten je allemaal te vinden. Sinds ik hier ben – dit is dag vijf van mijn verblijf – heb ik vier verzoeken voorbij zien komen; een onderzoek naar de relatie tussen herseninfarcten en depressies, een ‘klanttevredenheidsonderzoek’ over de verpleegsters van het UMC, een test-drive van de nieuwe mri, en het bloedonderzoek. Aan drie van de vier heb ik meegedaan; ter afleiding, ik heb toch niets beters te doen dan een beetje in mijn bed liggen , en als bijdrage aan de wetenschap.
Anyway, het bloed geven verloopt voorspoedig tot buisje nummer dertien – what’s in a number?- dan draait alles ineens voor mijn ogen, ik begin enorm te zweten en in minder dan een seconde ben ik supermisselijk. Snel wordt het halfvolle buisje verwijderd en leggen ze het bed plat. Iemand legt een nat washandje op mijn voorhoofd en zegt dat ik diep in moet ademen. Dat helpt. Als de misselijkheid weg is maken ze de klus snel af.
De prikzusters zijn nog maar net weg of daar verschijnt de co-assistent.om te vertellen dat als de uitslag van mijn slokdarmecho positief is, ik vandaag naar huis mag. Zij zou me liever het weekend hier houden, maar medisch gezien zijn er geen redenen meer om me nog langer in het ziekenhuis te houden. Ik weet niet waar ik op moet hopen; naar huis is natuurlijk fijn maar het ziekenhuis voelt veilig.
Lang heb ik niet de tijd om daarover na te denken want de logopedist komen langs voor een intakegesprek. Ik vertel wat er met me is gebeurd. Dat gaat goed, beter dan gisteren, vind ik. Of de logopedist mijn mening deelt weet ik niet. Ze kijkt me meewarig aan door haar bril en maakt een aantekening. Ze doet een aantal oefeningetjes met mij. De eerste is eenvoudig: zij laat plaatjes zien met daarop afbeeldingen en ik moet zeggen wat het is. Piece of cake! Dan vraagt ze mij zoveel mogelijk dieren op te noemen binnen een minuut. Aha, denk ik, eitje. Ik begin, ’poes, hond, konijn…’ Daar houd het op. Ik ervaar diezelfde stilte als tijdens mijn infarct. ‘Kom op!’ zegt mijn brein, ‘er zijn meer dan drie dieren’. ‘Koe, paard…’. Weer die stilte. ‘Vis, dolfijn…’. Dan is de minuut voorbij. De logopedist maakt weer een aantekening. Dan laat ze me een plaatje zien van een situatie. Ik moet haar vertellen wat er gebeurd. ’Moeder doet de afwas…een jongetje staat op de stoel…het jongetje pakt koekjes uit een pot…een meisje staat naast het jongetje…zij ziet het…’ Het lukt me niet er een verhaal van te maken. De logopedist maakt een laatste aantekening. Met wederom die meewarige blik in haar ogen verlaat ze de kamer.
De voedingsassistent komt langs met de lunch. Ik eet maar proef niets. Mijn brein staat al in de slaapstand. Dat ze mijn bord ophaalt merk ik niet meer. Ik ben in slaap gevallen. Na al die ‘drukte’ van deze morgen hebben mijn hersens behoefte aan rust.
Vandaag is mijn slokdarmecho gepland. (Toelichting voor de leek: bij een slokdarmecho eet een patiënt een soort tuinslang-met-camera op waarmee een arts je interieur kan inspecteren.) De echo wordt uitgevoerd op de cardiologieafdeling, ik word namelijk gecontroleerd op een gaatje in mijn hart. Blijkbaar kunnen gaatjes in harten beroerten veroorzaken. Mijn neuroloog twijfelde even of een gewone echo – een van buitenaf – zou volstaan, maar vanwege mijn jeugdige leeftijd wil hij alles extra goed controleren en heeft dus voor die van binnenuit gekozen. Heb ik even geluk.
Vanaf het moment dat ik wakker ben lig ik te zenuwen. De tijd gaat tergend langzaam. Drie uur is het zover; een aantrekkelijke co-assistente met blonde krulletjes sprayt een goedje in mijn keel dat mijn slikreflex stillegt. ‘Het smaakt een beetje naar banaan’, zegt ze. Een lieve leugen: het is verschrikkelijk vies. Toegegeven, de nasmaak heeft iets ‘bananigs’, maar dan gruwelijk chemisch, als bedorven Blue Curaçao. Een zuster brengt de cameraslang. Die ziet er onappetijtelijk uit: aan de voorkant zit een bijtring waarop ik kan mijn tanden kan zetten zonder dat de slang – van anderhalve centimeter doorsnede – er hinder van heeft. Slikken is verboden en als ik neiging tot overgeven voel moet ik me op mijn ademhaling concentreren. Ik denk, overgeven…
Zodra de cardioloog arriveert kan het circus beginnen: De zuster legt even nog wat handdoeken onder mijn hoofd tegen het kwijlen. Dat belooft wat. Dan word de slang ingebracht. Mijn lichaam protesteert; mijn hart bonst en ik zweet hevig. Ik denk aan mijn ademhaling. Mijn lijf ontspant en accepteert de slang. Nu voelt het, zoals de zuster voorspelde, ‘licht onprettig’. Af en toe zet mijn mooie co het geluid aan zodat mijn hartslag te horen is en ze maakt foto’s waarvan de cardioloog enorm geniet,’Prachtig! Nu nog een paar met contrastvloeistof.’
Ik vind het wel welletjes maar de cardioloog wil nog even verder kijken. De slang gaat een pietsje verder mijn slokdarm in waardoor ik onweerstaanbaar wil kokhalzen. ‘Kalm maar’, sust mijn co. Ik wil wel, maar het gaat niet. Ik voel tranen opkomen en kwijl me te pletter. ‘Even volhouden, nog’. Ik krijg mijn lijf weer onder controle en dan is het voorbij.
Terwijl ik bij lig te komen wil de zuster weten of ik aan duiken of yoga doe. ‘Yoga’, antwoord ik. De zuster knikt: ‘dat geldt voor de meeste mensen die zo rustig blijven als jij.’
Ik denk, rustig?! Mens, je moest eens weten! En wrijf de kwijl van mijn kin.
Op dag drie mag ik ‘op zaal’. Spannend, want daar lig ik niet aan monitoren, en houdt niemand me direct in de gaten.’Zaal’ blijkt een groot woord voor de kamer die ik deel met een andere patiënt: Meneer Van Dorp, een vaderlijke veertiger met een geschoren hoofd en dramatisch litteken op zijn schedel. Op het moment dat ik met bed en al de kamer in word gereden is hij halfliggend voor de TV zijn ontbijt aan het verorberen. Zijn matte begroeting wijt ik aan zijn zeer hersenletsel.
Terwijl ik geïnstalleerd word komt een zuster de kamer binnen met een ziekenhuisbed waarop een grote bak is gemonteerd. De installatie blijkt bestemd voor mijn buurman die nog moet douchen. Het gestommel achter het gordijn doet vermoeden dat meneer Van Dorp in de ziekenhuisbedbak geladen word. Zeker weten doe ik dat niet, want als het gordijn weer open gaat en de bak eruit gereden wordt, zie ik een leeg bed: de grote ziekenhuisverdwijntruc.
Mijn mobiel gaat. Het is een collega. Ik praat in korte zinnen tegen hem; hoewel mijn verlamming bijna over is, kost spreken me nog steeds enorme moeite. Ik ben benieuwd in hoeverre mijn spraak zich zal herstellen. Ondertussen is meneer Van Dorp nog steeds niet terug. Ik denk, als ze hier zolang over douchen doen valt het in dit ziekenhuis wel mee met de tijd die er aan patiënten besteed wordt.
Terwijl ik tijdens de koffie mijn menukeus voor het avondeten aan de diëtiste doorgeef komt meneer Van Dorp terug. Hij is direct na het douchen naar groep geweest, leid ik af uit het gesprek dat de zusters met hem voeren. ‘Groep’ blijkt interne revalidatie te zijn. Een ergotherapeut neemt ‘Zelf revalideren na hersenletsel’ met meneer Van Dorp door. Als de ergo weg is slaat hij direct aan het oefenen. Na tien minuten zakt hij heftig zwetend, met een knalrood hoofd, uitgeput in elkaar. Foute boel!, denk ik en ik druk op mijn alarmbel. Het duurt even voordat een zuster komt. ‘U had gebeld?’ Ik wijs naar meneer Van Dorp. ‘Ach gut, het is allemaal een beetje veel voor hem geweest!’, constateert ze nuchter en ze gaat een collegazuster halen om meneer Van Dorp in bed te leggen.
Goeie genade, denk ik, zo ziet het er dus uit als je na een hersenbeschadiging een beetje teveel doet. Dus ik maak een mental note: Straks niet te enthousiast revalideren!
Ik word naar de medium care gebracht. Tot vandaag wist ik niet dat zoiets bestond, maar eigenlijk is het logisch: de intensive care is voor urgente gevallen, de medium care voor patiënten die wel bewaakt moeten worden maar niet kritiek zijn.
Omdat ik mijn lenzen niet in heb zie ik slecht. Met mijn vage zicht ontwaar ik mijn omgeving: ik ben op de ziekenzaal van het gesticht uit One Flew over the Cuckoo’s Nest beland met bedden in een hoek en aan een kant ramen. Het mintgroene verpleegstersstation, van glas met een hoge balie, is daar tegenover. En verdomd als het niet waar is, de zaak word gerund door een big nurse: forse vrouw, forse boezen, strenge bob, rode lippenstift en dito bril. Ik vind haar een beetje eng.
Van mijn medepatiënten is er niemand voor de volle honderd procent bij: er zijn relatief veel verwarde bejaarden, rechts naast mij ligt een vrouw met nekband. Ik weet niet wat ze heeft, zij ook niet, ze zit onder de medicijnen en ‘lalt’ er lustig op los. Achterin de zaal ligt een autistischachtig meisje dat niet praat.
Ineens verschijnen er een arts en twee vrouwelijke co-assistenten aan mijn bed. Weer moet ik vragen beantwoorden en word ik getest; handen hoog, voet wegduwen, knie-hamertje-tik… Rechts doet nog steeds maar voor de helft mee. De dokter praat Potjeslatijn tegen zijn assistentes. Wanneer hij zich tot mij richt laat hij weten dat ik voor morgen een MRI-scan op het programma heb. Verder moet ik rusten. In het kader daarvan wordt mijn vriend verzocht te vertrekken. Ik vind dat verschrikkelijk. Hij vraagt wat ik nodig heb. Ik mompel, ‘pyjama – lenzen – bril – boek’. Hij schrijft het op, kust me en gaat weg. Hij is de zaal nog niet af of ik raak in een halfslaaptoestand. Niets boeit me meer.
Als ik wakker word voel ik me aanzienlijk beter. Het is etenstijd en ondanks dat ik doorgegeven heb dat ik vegetariër ben krijg ik kip. Maar ook dat interesseert me niet. Mijn vriend is terug, hij ziet er moe uit. Hij heeft mijn familie en werk ingelicht. Als het bezoekuur is afgelopen gaat hij weer weg.
Dit wordt mijn eerste nacht in een ziekenhuis. Misschien ga ik wel dood hier en raak nog steeds niet in paniek bij die gedachte. Ik kijk naar de machine waar ik aan lig. De lampjes knipperen vredig.
Big Nurse komt de medium care op met een rolstoel. De rolstoel is voor mij. ‘We gaan een MRI-scan maken’, deelt ze me monter mee. Ik begrijp dat ze met ‘we’, mij bedoelt, de zuster hoeft natuurlijk niet gescand. Het overstappen in de rolstoel gaat goed, mijn rechterkant is aan het herstellen. Ze rijdt mij zwijgend naar de radiologieafdeling, haar Crocs maken slurpgeluidjes op het linoleum.
Voor de ruimte waar de MRI gemaakt wordt hangt een gordijntje van waarachter onheilspellende geluiden klinken. Zodra het geluid stopt zie ik twee paar schoenen en hoor ik stemmen. Het gordijntje wordt opzij geschoven, ik ben aan de beurt. Op de deur staat ‘Pas op, magnetisch veld!’ In het midden van de kamer staat een enorm apparaat dat ik uit ziekenhuisseries ken. Er zijn raampjes aan de zijkant ter observatie. Daar zit straks een radiologe mijn brein te bestuderen.
Eerst krijg ik instructies: mijn hoofd moet in het bakje, ik moet stil liggen, er twee korte en twee langere sessies gedaan, er wordt aangegeven wanneer die beginnen en eindigen. Ik krijg een koptelefoon met Sky-radio erop voor de afleiding. Dan wordt de scan gestart. De eerste sessie valt mee; door You can call me Al hoor ik een laag bonkend geluid. Na ongeveer twee minuten stopt het. De tweede sessie heeft een hoger snerpend geluid dat aanzienlijk minder prettig is. Ik kan nauwelijks horen welke muziek er speelt, ik gok iets van Shakira. Bij de laatste twee worden er weer lagere tonen gebruikt. Daarna gaat het gordijntje weer open, en brengt Big Nurse me terug naar de MC.
Die middag hoor ik de zusters fluisteren op de gang. Net iets te hard. Het gaat over mijn MRI en het klinkt alsof het geen goed nieuws is. Even later komt de neuroloog dat bevestigen. ‘Helaas geen TIA maar een herseninfarct.’ Dat betekent dat er blijvende schade is. Hoe ernstig dat is weten ze nog niet, dat zal de tijd uit moeten wijzen.
Mijn vriend moet huilen. Ik streel door zijn haar. ‘Komt wel goed, schatje’, zeg ik. Het reclamegrapje ontgaat hem, hij kijkt geen commercials. Ik zou ook moeten huilen, denk ik, maar dat doe ik niet. Ik voel en vind nog steeds opmerkelijk weinig. ‘Het is zoals het is’, was altijd al mijn motto, maar dat heb ik nooit zo oprecht en zo persoonlijk ervaren als op dit moment.